Relaas van de gevangen tijd

Voor het schrijven van deze column ga ik iets uitproberen. Ik verplaats me een dag in de tijd. Niet met een tijdmachine, om te zien hoe en of grote doden der aarde ook wel eens iets doms deden maar als een mentaal experiment. Hoe zou ik het vinden om de tijd te zijn?
Opzij vadertje tijd, mijn beurt. 

Ik had zin om dit te doen maar dat duurt niet lang. Het is helemaal niet leuk. Niemand houdt van me. Ik ben schijnbaar nooit genoeg. Ik ben er te weinig en als ik er was weten mensen achteraf weer niet waar ik gebleven ben, ik doe niet wat mensen willen, voorzie niet in hun behoefte. Was dat altijd al zo en is het me nooit eerder opgevallen? Of ben ik pas de laatste jaren zo’n probleem?

Als mensen het over me hebben, praten ze in termen van ‘hebben’ en ‘nemen’. Het is niet erg respectvol. Als mensen met me samenvallen zijn ze ‘op’ me en niet op een goede manier. Zo lijkt het alsof de mensen me willen bezitten en niet omdat dit beter is voor mij. Ik doe wat ik moet doen. Het moet gezegd worden dat ik me weinig van de mensen aantrek maar dit gaat wel ver. Misschien word ik ooit wel afgezworen. Dit weekend ook weer zo’n poging me te bezweren. Wintertijd, leuke poging. Mensen zouden me het liefst in een doosje willen doen zodat ik niet meer kan bewegen, ze me kunnen pakken als ze willen en wegstoppen als het ze niet uitkomt.

Ik word er recalcitrant van, wil mezelf nog minder beschikbaar maken, nog meer vliegen ook als mensen het niet naar hun zin hebben. Waarom is tijd nooit tof? Ik ben toch de garantie van beweging, van verandering en transformatie. Ik heb nauw samengewerkt met Darwin. Nietzsche vond mij ook bijzonder. Zij zeggen dat er zonder mij weinig zou bestaan. Dat alles en herhaling van zichzelf zou zijn. Of is er altijd minder aandacht voor de goede dingen en moet ik me het niet persoonlijk aantrekken?

De Australische filosofe Elizabeth Grosz schrijft over hoe ik me onttrek aan het menselijke denken, hoe onzichtbaar ik eigenlijk ben en dat ik alleen maar denkbaar ben als ik me zo manifesteer dat ik een verwachtingspatroon doorbreek. Dan schijn ik overal doorheen en ben ik niet meer zo doorlopend. Alleen dat is geen permanente staat van zijn. Dat zou wel een verklaring zijn. Misschien moet ik me vaker laten zien. Of een politieke partij oprichten, dat schijnt ook te werken.

Voor nu volstaat een oproep: Zet me niet gevangen, ook al is het in taal. Ik ben niet de vijand, niet boosaardig en er is heus genoeg van mij.