Lichaamspraat

Zelfzorg is een nieuw begrip in mijn leven. Vroeger vond ik het aanstellerig. Ik dacht vooral heel Rotterdams dat je het gewoon moest doen en er niet over moest lopen zeuren. Maar dit is over sinds ik dagelijkse taal deel met een humanistisch raadswerker. Dat is goed voor veel dingen, met name bewustwording van weerstand tegen bepaalde zaken, waar zelfzorg er een van is. Waarom is er weerstand? ‘Omdat het moeilijk is,’ vond ik heel lang een prima antwoord. Maar ook hier kwam ik op den duur niet meer mee weg en niet alleen door de humanistisch raadswerker. Mijn weerstand werd zichtbaar omdat ik het niet bleek te doen, die zelfzorg. Het was geen punt van aandacht, meer een toevallige en volstrekt willekeurige bijwerking van sommige beslissingen.

Afgelopen weekend deden we met Adem Inn mee aan de Rotterdam Uitdagen. Een uur lang hadden we zingevingsgesprekken in een reuzenrad op het Kruisplein. Tijdens die korte gesprekken vroegen we onze gespreksgenoten naar hun ideeën over zelfzorg. De meesten schakelden direct over op de geestelijke component, vroegen zich af waarom ze überhaupt leefden en of ze dat wel goed deden. Het viel me op dat weinig mensen hun lichaam noemden.

Ik wil het hier toch over hebben want ik vertrouw die schijnbare vanzelfsprekendheid niet. Het lichaam wordt in veel gevallen pas genoemd als het mis gaat. Ik gaf het mijne bijvoorbeeld meestal pas rust als ik ziek werd. Kiwi was dan de eerste aanwijzing. Als ik mezelf betrapte met een hand in het schap vol harige knakkers wist ik dat het zover was en baalde ik. Ik liet me dan voor een of twee dagen leiden door mijn lichaam, totdat ik me schuldig begon te voelen en weer zwichtte voor ingebeelde sociale druk. Maar die dagen voelden als een bevrijding, ik mocht weg uit mijn hoofd en zakte in een pure fysieke behoefte. Theorieën dienden zich wel aan maar bleven nergens aan plakken.

Ik neem een quantum-olifantenpaadje: Inmiddels heb ik mijn lichaam wat meer weten te integreren in mijn dagelijks leven. Wie dit geen rare zin vindt moet hem nogmaals lezen. Als ik bijvoorbeeld niet weet of ik een avond wel met andere mensen moet doorbrengen vraag ik het tegenwoordig eerder aan mijn lijf dan aan iets of iemand anders. Body says no, in de meeste gevallen. In nabijheid van anderen is het te verleidelijk om je tot het lichaam van de ander te wenden en daar lasten of lusten van over te nemen. Af en toe is dat juist comfortabel, een manier om niet met je eigen problemen in gevecht te hoeven. Als je geluk hebt slapen die problemen als je weer alleen bent, maar soms - als er alcohol in het spel is, sowieso - worden het natte Gremlins. En dat is voor niemand leuk.

We weten helemaal niet waar het lichaam toe in staat is, zei Spinoza ergens in de zeventiende eeuw. Inmiddels weten we wel iets meer maar voor veel mensen is het toch nog een zwart gat. Of gewoon een vervoersmiddel waar op regelmatige basis dingen in- en uit gaan en waarvan je het gemak pas ervaart als het eenmaal stuk is. Bregje Hofstede schreef er in 2016 een confronterend boek (hier vertelt ze erover: www.vpro.nl/speel~RBX_VPRO_5300913~bregje-hofstede-de-herontdekking-van-het-lichaam~.html).

Ik vond mijn ideeën vaak leuker dan mijn lichamelijke behoeften, mijn denkkracht sexier dan mijn spieren maar begin mijn lichaam steeds liever te vinden. Toen ik zelfzorg eenmaal in mijn agenda zette, kwam zelfliefde ongevraagd mee en begon zonder te vragen alles ergens anders neer te zetten. Sommige dingen stonden ineens ondersteboven, achterstevoren of werden in zijn geheel verwijderd zonder overleg. Ik houd normaal niet van zonder overleg maar hier kan ik best en eigenlijk beter mee leven.