Buikgeluiden - deel zes

#6:Schotelantennes en klappertjespistolen

Toen ik laatst een klassiek concert bezocht zat er een vrouw voor me die ik bijna heel vervelend vond. Alles wat haar bereikte, licht, geluid of geur, kreeg zichtbaar de volledige aandacht. Er werd geen onderscheid gemaakt in wie de zender van het signaal was, dichtbij of ver weg,  een ding of fenomeen of mens. Als een vleesgeworden schotelantenne ving ze alles op in de moederschoot van haar aandacht. Soms kwam er ook iets van binnenuit. Dan greep ze plotseling naar haar tas en toverde daar iets schijnbaar urgents uit. Filterloos verkeer speelde zich af tussen binnen- en buitenwereld.

Net voordat ik haar definitief vervelend vond realiseerde ik me dat de vrouw niet leek te oordelen over de signalen die haar bereikten of over de impulsen die ze vrij liet bewegen. Ze analyseerde niet, rationaliseerde niet, ze was constatering in pure vorm. Ik dacht te zien dat de mensen in haar directe omgeving – die ik interpreteerde als gezinsconstellatie – zich nauwelijks durfden te bewegen. Maar ik heb deze romantische projectie hard nodig om mijn eigen onvermogen zichtbaar te maken.

Deze week las ik een artikel van Marja Pruis in De Groene Amsterdammer. Zij is de onvolprezen koningin van hardop twijfelen, dat maakt al haar stukken waardevol. Zeker in deze tijden waarin mensen koortsachtig zekerheden voor zich uit lijken te duwen als schild tegen de wereld. Ik zou willen dat geluiden zoals dat van haar wat meer volume zouden krijgen in de publieke ruimte, ook al spreekt dat hun natuur tegen. Het artikel gaat over arrogantie als manier om de andersheid van de ander op afstand te houden, of niet te hoeven voelen. Gevolg en oorzaak hiervan is dat je jezelf buiten schot houdt.

 

Het is al minder erg dan vroeger. Ik ben door opvoeding en omgeving uitgerust met gereedschappen zoals moralisme en opportunisme om andere mensen en dingen te ordenen en zo gepaste afstand te bewaren. Er is altijd een goede en een kwade, dit is normaal en dat niet, wat niet leuk is moet je niet doen en al zeker niet willen. Pas toen ik literatuurwetenschap ging studeren kreeg ik meer opties, het enige wat we daar met zekerheid mochten zeggen is dat alles relatief was. God, de schrijver, je ouders. Eigenlijk alles behalve het ik was onderdeel van die clausule.

Ondanks dat vrees ik dat het oordeel nog steeds ook mijn weapon of choice is om de afstand tot de ander te behouden. Ik gebruik het oordeel als klappertjespistool, het is een farce bedoeld om andere mensen en mezelf weg te jagen en bovendien buitengewoon irritant (ja). Ironisch genoeg nodigt diezelfde ander, zowel die in de publieke ruimte – zoals de schotelantenne – als de nabije ander nu uit tot dagelijkse zelfontwapening. Minder bewapend zijn leidt helaas niet meteen tot de lichtheid die ik mezelf beloofd had. Wat Marja Pruis schrijft is weer eens waar. Zodra je die neiging tot afstand behouden loslaat en de verbazing over de ander toelaat “volgt de confrontatie met je stroeve zelf. En met de moeilijkste opdracht die er bestaat: aangenaam gezelschap zijn.”