Doldwaze avond – een diagnose, en dan?

Ik heb altijd gestreden voor niet normaal. Ondertussen deed ik er alles aan om me zoveel mogelijk aan te passen. Als mensen mij namelijk met rust zouden laten, kon ik ongestoord anderen helpen. Zo vond ik mijn plek in het systeem van normaal vs. niet-normaal. Tijdens mijn werk in de GGZ zette ik dit voort. Als hulpverlener probeerde ik ruimte te maken voor de niet-normalen, in een systeem dat er alles aan doet om hen te normaliseren: je moet je rustig houden, ritmisch leven, op tijd opstaan, op tijd naar bed, en je medicijnen slikken. Als dat lukt, mag je aan je productiviteit gaan denken: werk. Meer zit er waarschijnlijk niet in voor de mens, als je het aan de psychiatrie vraagt. Ik streed hiertegen door als geestelijk verzorger met cliënten te praten over wat ze bewoog, wat hoop geeft, over wat inspireert, wat ze mooi vinden en wat eigenheid was. Over bijna alles, behalve over die diagnose. Ik wist meestal niet eens wat hun diagnose was. Diagnoses waren voor mij niet waardevol, die zeggen alleen maar wat over het systeem, niet over de mens.

Afgelopen jaar ben ik gediagnosticeerd met Borderline PD en een depressie met overspanningssyndroom. Ik heb ontdekt dat het normaal- vs.-niet-normaal-systeem dat in mij leefde, ook niet houdbaar was. Want terwijl ik anderen probeerde te helpen, probeerde ik ook mezelf ervan te overtuigen dat ik niet gek genoeg was om ooit een diagnose te krijgen. Terwijl ik in mijn scriptie enthousiast schreef over het systeem van de maatschappij en de GGZ ­– die de Ander, het ongekende, het niet-normale, probeert buiten te houden en zo pijn, geweld en onderdrukking veroorzaakt – was ik dit systeem ondertussen ook aan het bouwen, met mezelf. Mijn interne systeem was erop gemaakt om al het niet-normale, inclusief de diagnose, behendig buiten te houden. Maar geen enkel systeem kan het niet-normale buitenhouden (nee, VVD, geen.enkel.systeem). En zo had ik ineens een diagnose, en leerde ik hoe dat voelt. Ik leerde ook over de voordelen van zo’n diagnose.

Ik schreef tijdens mijn studie over hoe het systeem van normalisering ruimte moet maken voor kwetsbaarheid en eigenheid. Met dank aan haptotherapie begon ik tegelijkertijd te reflecteren op hoe ik me voelde in een ruimte, wanneer dit comfortabel voelde, ongemakkelijk of ronduit onveilig, en in het laatste geval: wat ik daaraan kon doen. Hierna begon ik met het organiseren van ‘veiligere ruimtes’, om deze kwetsbaarheid in uit te nodigen.

De veilige ruimte in mezelf is een plek die ik niet vaak vind. Ik moet dan door gangenstelsels van ongemak en angsten waar ik meestal niet doorheen kom. Samen met anderen een ruimte maken die veilig genoeg is om ervaringen te delen en elkaar te steunen, lukt me inmiddels best aardig. Ik ben dan ook blij dat ik dit weer ga doen, met Karin, en hopelijk met wat andere mede niet-normalen. Ik hoop dat we een ruimte kunnen maken waarin gek zijn, met of zonder diagnose, normaal genoeg is om over te durven praten.